meta data voor deze pagina
  •  

RICHTLIJN 94/33/EG

RICHTLIJN 94/33/EG VAN DE RAAD van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 118 A,
Gezien het voorstel van de Commissie (1),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),
Overeenkomstig de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (3),

Overwegende dat in artikel 118 A van het Verdrag wordt bepaald dat de Raad door middel van richtlijnen de minimumvoorschriften vaststelt om de verbetering van met name het arbeidsmilieu te bevorderen, ten einde de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen;

Overwegende dat volgens genoemd artikel in deze richtlijnen wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat zij oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen zouden kunnen hinderen;

Overwegende dat in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden, dat op 9 december 1989 in het kader van de Europese Raad van Straatsburg door de staatshoofden en regeringsleiders van elf Lid-Staten werd aangenomen, met name in de punten 20 en 22 wordt gesteld: “20. Onverminderd de voor de jongeren gunstigere regels, inzonderheid die welke zijn gericht op hun inschakeling in het beroepsleven via opleiding en onverminderd afwijkingen die beperkt blijven tot bepaalde lichte werkzaamheden, dient de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces niet lager te zijn dan de leeftijd waarop de jongere ophoudt leerplichtig te zijn, en in elk geval niet lager dan 15 jaar. 22. De op werkende jongeren van toepassing zijnde voorschriften uit het arbeidsrecht moeten zodanig worden aangepast dat zij beantwoorden aan de eisen van hun ontwikkeling en de behoeften van hun beroepsopleiding en hun toegang tot de arbeidsmarkt. De arbeidsduur voor werkende jongeren van minder dan 18 jaar moet met name worden beperkt - zonder dat deze beperking kan worden omzeild door het laten verrichten van overwerk - en nachtarbeid worden verboden, behalve voor bepaalde soorten werk als vastgesteld bij de nationale wetgeving of voorschriften.”;

Overwegende dat rekening moet worden gehouden met de beginselen van de Internationale Arbeidsorganisatie inzake de bescherming van jongeren op het werk, met inbegrip van die inzake de minimumleeftijd voor toelating tot arbeid of werk;

Overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie over kinderarbeid (4) de aspecten van de arbeid van jongeren samenvat en in het bijzonder de nadruk legt op de gevolgen van de arbeid voor hun gezondheid, veiligheid en lichamelijke en intellectuele ontwikkeling, en beklemtoont dat er een richtlijn tot onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen op dit gebied dient te worden vastgesteld;

Overwegende dat in artikel 15 van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (5) is bepaald dat bijzonder kwetsbare risicogroepen tegen voor hen specifieke gevaren moeten worden beschermd;

Overwegende dat kinderen en adolescenten moeten worden beschouwd als een groep met bijzondere risico's en dat maatregelen moeten worden getroffen inzake hun gezondheid en veiligheid;

Overwegende dat de kwetsbaarheid van kinderen vereist dat de Lid-Staten kinderarbeid verbieden en erop toezien dat de minimumleeftijd voor toelating tot de arbeid in en buiten dienstverband niet lager is dan de leeftijd waarop de door de nationale wetgeving opgelegde voltijdse leerplicht eindigt en in ieder geval niet lager dan 15 jaar; dat afwijkingen van het verbod op kinderarbeid slechts in bijzondere gevallen en onder de in deze richtlijn genoemde voorwaarden kunnen worden toegestaan en in geen geval nadelig mogen zijn voor de regelmatig schoolbezoek en het volgen van onderricht;

Overwegende dat de bij de overgang van de kinderjaren naar de volwassenheid behorende kenmerken een strikte regelgeving en bescherming van de arbeid van adolescenten noodzakelijk maken;

Overwegende dat elke werkgever jongeren arbeidsomstandigheden moet bieden die aangepast zijn aan hun leeftijd;

Overwegende dat de werkgever de nodige maatregelen dient te treffen om de veiligheid en de gezondheid van jongeren te beschermen, op basis van een evaluatie van de voor jongeren bestaande arbeidsrisico's;

Overwegende dat de Lid-Staten jongeren moeten beschermen tegen de specifieke risico's ten gevolge van een gebrek aan ervaring, doordat zij zich niet bewust zijn van werkelijke of mogelijke risico's, of doordat hun ontwikkeling nog niet is voltooid;

Overwegende dat de Lid-Staten te dien einde jongerenarbeid moeten verbieden voor in de onderhavige richtlijn genoemde werkzaamheden;

Overwegende dat de arbeidsomstandigheden van jongeren verbeterd kunnen worden door nauwkeurige minimumeisen aan te nemen voor de indeling van de arbeidstijd;

Overwegende dat de maximale arbeidsduur van jongeren strikt moet worden beperkt en dat nachtarbeid van jongeren verboden moet worden, behalve voor bepaalde, bij nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen dienstbetrekkingen;

Overwegende dat de Lid-Staten de nodige maatregelen dienen te nemen om ervoor te zorgen dat de arbeidstijd van schoolgaande adolescenten geen afbreuk doet aan hun mogelijkheid om baat te hebben bij het genoten onderwijs;

Overwegende dat de tijd die jongeren in het kader van een alternerende theoretische en/of praktische opleiding of van een stage in een onderneming aan opleiding besteden, als arbeidstijd moet worden beschouwd;

Overwegende dat jongeren ter wille van hun veiligheid en gezondheid - dagelijkse, wekelijkse en jaarlijkse - minimumrusttijden en voldoende pauzes moeten genieten;

Overwegende dat, wat de wekelijkse rusttijd betreft, naar behoren rekening moet worden gehouden met de uiteenlopende culturele, etnische, religieuze en andere factoren in die Lid-Staten; dat het met name in laatste instantie de taak is van de Lid-Staten om te beslissen of, en zo ja in welke mate, de zondag in de wekelijkse rusttijd begrepen dient te zijn;

Overwegende dat een aangepaste arbeidservaring kan helpen jongeren voor te bereiden op het beroepsleven en het sociale leven als volwassen, op voorwaarde dat wordt vermeden dat hun veiligheid, hun gezondheid of hun ontwikkeling schade lijden;

Overwegende dat, ingeval voor bepaalde activiteiten of voor bijzondere situaties afwijkingen van de in deze richtlijn vervatte verboden en beperkingen onontbeerlijk blijken, toepassing van deze afwijkingen aan de beginselen van het ingestelde beschermingssysteem geen afbreuk mag doen;

Overwegende dat deze richtlijn een concreet element vormt in het kader van de verwezenlijking van de sociale dimensie van de interne markt;

Overwegende dat het voor de feitelijke toepassing van het bij deze richtlijn ingestelde beschermingssysteem noodzakelijk is dat de Lid-Staten een stelsel van effectieve en evenredige maatregelen invoeren;

Overwegende dat de tenuitvoerlegging van sommige bepalingen van de onderhavige richtlijn voor één Lid-Staat bijzondere problemen oplevert voor haar beschermingssysteem voor jongeren op het werk; dat derhalve moet worden toegestaan dat deze Lid-Staat de betrokken bepalingen gedurende een passende periode niet behoeft toe te passen,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
AFDELING I

Artikel 1 - Doel

1. De Lid-Staten zorgen ervoor dat kinderarbeid verboden wordt.

Zij zien erop toe, onder de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden, dat de minimumleeftijd voor toelating tot arbeid in en buiten dienstverband niet lager is dan de leeftijd waarop de door de nationale wetgeving opgelegde voltijdse leerplicht eindigt of in ieder geval niet lager dan 15 jaar.

2. Onder de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden zien de Lid-Staten erop toe dat de arbeid van adolescenten strikt geregeld en beschermd is.

3. In het algemeen zien de Lid-Staten erop toe dat werkgevers jongeren arbeidsomstandigheden bieden die aangepast zijn aan hun leeftijd.

De Lid-Staten moeten jongeren beschermen tegen economische uitbuiting en tegen arbeid die schadelijk kan zijn voor hun veiligheid, hun gezondheid of voor hun lichamelijke, psychische, morele of sociale ontwikkeling of hun opvoeding kan hinderen.

Artikel 2 - Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op alle personen onder de 18 jaar met een arbeidsovereenkomst of -betrekking die in de geldende wetgeving van een Lid-Staat omschreven wordt en/of onder het in een Lid-Staat geldende recht valt.

2. De Lid-Staten kunnen wettelijk of bestuursrechtelijk bepalen dat deze richtlijn binnen de perken en onder de voorwaarden die zij wettelijk of bestuursrechtelijk vaststellen, niet van toepassing is op incidentele of arbeid van korte duur betreffende:

a) dienstverlening in een gezin, of

b) niet als schadelijk, nadelig of gevaarlijk voor jongeren beschouwd werk in het familiebedrijf.

Artikel 3 - Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) jongere: alle personen onder de 18 jaar als omschreven in artikel 2, lid 1;

b) kind: alle jongeren die nog geen 15 jaar zijn of nog onder de door de nationale wetgeving opgelegde voltijdse leerplicht vallen;

c) adolescent: alle jongeren die minstens 15 en nog geen 18 jaar zijn en niet meer onder de door de nationale wetgeving opgelegde voltijdse leerplicht vallen;

d) lichte arbeid: arbeid die door de aard van de taken die zij omvat of de bijzondere omstandigheden waarin deze taken worden uitgevoerd:

i) niet schadelijk is voor veiligheid, gezondheid en ontwikkeling van kinderen, en

ii) niet nadelig is voor regelmatig schoolbezoek en mogelijkheden om deel te nemen aan door de bevoegde autoriteit goedgekeurde programmas voor beroepskeuzevoorlichting of programmas voor beroepsopleiding, of profijt te trekken van het ontvangen onderricht;

e) arbeidstijd: de tijd waarin de jongere werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken;

f) rusttijd: de tijd die geen arbeidstijd is.

Artikel 4 - Verbod op kinderarbeid

1. De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om arbeid door kinderen te verbieden.

2. Rekening houdend met het doel van artikel 1, kunnen de Lid-Staten wettelijk of bestuursrechtelijk bepalen dat het verbod op kinderarbeid niet geldt voor:

a) kinderen die de in artikel 5 bedoelde arbeid verrichten;

b) kinderen van ten minste 14 jaar die in het kader van een alternerende opleiding of stage in een onderneming werken, voor zover deze arbeid wordt verricht overeenkomstig de voorschriften van de bevoegde autoriteit;

c) kinderen van ten minste 14 jaar die andere lichte arbeid verrichten dan de in artikel 5 bedoelde arbeid; andere lichte arbeid dan bedoeld in artikel 5 mag echter wel door kinderen vanaf de leeftijd van 13 jaar worden verricht gedurende een beperkt aantal uren per week, en voor bepaalde categorieën van arbeid, vastgesteld in de nationale wetgeving.

3. De Lid-Staten die gebruik maken van de in lid 2, onder c), bedoelde mogelijkheid stellen de arbeidsvoorwaarden voor die lichte arbeid vast met inachtneming van het bepaalde in deze richtlijn.

Artikel 5 - Culturele en soortgelijke activiteiten

1. Kinderen mogen met het oog op het optreden in culturele, artistieke, sportieve of reclameactiviteiten pas in dienst worden genomen nadat daarvoor vooraf een vergunning is verkregen die door de bevoegde autoriteit in individuele gevallen wordt afgegeven.

2. De Lid-Staten stellen wettelijk of bestuursrechtelijk de arbeidsvoorwaarden vast voor kinderen in de in lid 1 bedoelde gevallen, alsmede de nadere procedureregels voor de vergunning, op voorwaarde dat de activiteiten:

i) niet schadelijk zijn voor veiligheid, gezondheid en ontwikkeling van kinderen, en

ii) niet nadelig zijn voor regelmatig schoolbezoek en mogelijkheden om deel te nemen aan door de bevoegde autoriteit goedgekeurde programmas voor beroepskeuzevoorlichting of programmas voor beroepsopleiding, of profijt te trekken van het ontvangen onderricht.

3. In afwijking van de procedure van lid 1 en voor kinderen van ten minste 13 jaar mogen de Lid-Staten wettelijk of bestuursrechtelijk en op de voorwaarden die zij vaststellen de indienstneming van kinderen met het oog op het optreden in culturele, artistieke, sportieve of reclameactiviteiten toestaan.

4. Lid-Staten met een stelsel van specifieke erkenning voor mannequinbureaus die met kinderen werken, kunnen dit stelsel handhaven.

AFDELING II

Artikel 6 - Algemene verplichtingen van de werkgever

1. Onverminderd artikel 4, lid 1, treft de werkgever de nodige maatregelen om de veiligheid en de gezondheid van jongeren te beschermen; hij houdt hierbij in het bijzonder rekening met de in artikel 7, lid 1, genoemde specifieke risico's.

2. De werkgever past de in lid 1 bedoelde maatregelen toe op grond van een beoordeling van de risico's waaraan jongeren bij hun arbeid blootgesteld zijn.

De beoordeling vindt plaats voordat de jongeren met hun arbeid beginnen en wanneer de arbeidsomstandigheden ingrijpend veranderen, en heeft vooral betrekking op de volgende punten:

a) uitrusting en inrichting van arbeidsomgeving en arbeidsplaats;

b) aard, intensiteit en duur van de blootstelling aan fysische, biologische en chemische agentia;

c) ordening, keuze en gebruik van werkuitrusting, met name agentia, machines, apparatuur en toestellen, en de bediening daarvan;

d) regeling van arbeidsmethoden en arbeidsprocédés, en wisselwerking (organisatie van de arbeid);

e) niveau van opleiding en voorlichting van de jongeren.

Wanneer uit de beoordeling van de risico's is gebleken dat de veiligheid, de lichamelijke of geestelijke gezondheid of de ontwikkeling van de jongeren gevaar loopt, moet ervoor worden gezorgd dat de gezondheid van de jongeren kosteloos, passend en op gezette tijden wordt beoordeeld en gecontroleerd, onverminderd Richtlijn 89/391/EEG.

Het kosteloze medisch onderzoek en toezicht kunnen deel uitmaken van een nationale gezondheidsregeling.

3. De werkgever licht de jongeren in over mogelijke risico's en over alle maatregelen ter bescherming van hun veiligheid en gezondheid.

Bovendien licht hij de wettelijke vertegenwoordigers van kinderen in over mogelijke risico's en over alle maatregelen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van de kinderen.

4. De werkgever betrekt de in artikel 7 van Richtlijn 89/391/EEG bedoelde beschermings- en preventiediensten bij de planning en de toepassing van de veiligheids- en gezondheidsvoorschriften inzake de arbeid van jongeren en bij het toezicht op de inachtneming daarvan.

Artikel 7 - Kwetsbaarheid van jongeren - Arbeidsverbod

1. De Lid-Staten zorgen ervoor dat jongeren worden beschermd tegen de specifieke risicos op het gebied van veiligheid, gezondheid en ontwikkeling ten gevolge van een gebrek aan ervaring, doordat zij zich niet bewust zijn van werkelijke of mogelijke risicos, of doordat hun ontwikkeling nog niet is voltooid.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 4, lid 1, verbieden de Lid-Staten hiertoe dat jongeren arbeid verrichten

a) die zij, objectief gezien, lichamelijk of geestelijk niet aankunnen;

b) waardoor zij op schadelijke wijze blootgesteld worden aan giftige of carcinogene stoffen, stoffen die erfelijke genetische veranderingen veroorzaken, stoffen die tijdens de zwangerschap schadelijke gevolgen hebben voor de foetus of die voor de mens anderszins schadelijke chronische werking hebben;

c) die schadelijke blootstelling aan straling meebrengt;

d) die risico's voor ongevallen inhoudt waarvan vermoed kan worden dat jongeren, doordat ze nog niet veel inzicht hebben in veiligheid of onervaren of onvoldoende opgeleid zijn, deze meestal niet beseffen of kunnen voorkomen; of

e) die wegens extreme koude of hitte, dan wel lawaai of trillingen de gezonderheid in gevaar brengt.

Onder arbeid die voor jongeren specifieke risico's met zich mee kan brengen in de zin van lid 1, vallen met name:

- arbeid die schadelijke blootstelling meebrengt aan de in punt I van de bijlage bedoelde fysische, biologische en chemische agentia, en

- de in punt II van de bijlage bedoelde procédés en werkzaamheden.

3. De Lid-Staten kunnen wettelijk of bestuursrechtelijk bepalen dat voor adolescenten afwijkingen van lid 2 toegestaan worden wanneer deze volstrekt noodzakelijk zijn voor hun beroepsopleiding en op voorwaarde dat hun veiligheid en gezondheid worden beschermd, omdat zij werken onder toezicht van een bevoegd persoon in de zin van artikel 7 van Richtlijn 89/391/EEG en mits de door deze richtlijn geboden bescherming wordt gegarandeerd.

AFDELING III

Artikel 8 - Arbeidstijd

1. De Lid-Staten die van de mogelijkheid van artikel 4, lid 2, onder b) of c), gebruik maken, treffen de nodige maatregelen om de arbeidstijd voor kinderen te beperken tot:

a) 8 uur per dag en 40 uur per week voor kinderen die een alternerende opleiding volgen of stage lopen in een onderneming;

b) 2 uur per schooldag en 12 uur per week voor arbeid buiten schooltijd tijdens de schoolperiode, voor zover dit bij de nationale wetgevingen en/of gebruiken niet verboden is;

in geen geval mag per dag langer dan 7 uur worden gewerkt; voor kinderen die 15 jaar zijn geworden, mag deze grens op 8 uur worden gebracht;

c) 7 uur per dag en 35 uur per week voor arbeid tijdens een periode van ten minste een week zonder schoolactiviteit; voor kinderen die 15 jaar geworden zijn, kunnen deze grenzen op 8 uur per dag en 40 uur per week worden gebracht;

d) 7 uur per dag en 35 uur per week voor lichte arbeid verricht door kinderen die niet meer onder de door de nationale wetgeving opgelegde voltijdse leerplicht vallen.

2. De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om de arbeidstijd voor adolescenten te beperken tot 8 uur per dag en 40 per week.

3. De tijd die jongeren in het kader van een alternerende theoretische en/of praktische opleiding of van een stage in een onderneming aan opleiding besteden, wordt eveneens als arbeidstijd beschouwd.

4. Wanneer een jongere bij meer werkgevers in dienst is, worden arbeidsdagen en arbeidsuren bij elkaar opgeteld.

5. De Lid-Staten kunnen bij wijze van uitzondering of wanneer daarvoor objectieve redenen zijn, wettelijk of bestuursrechtelijk afwijkingen toestaan van lid 1, onder a), en lid 2.

De Lid-Staten stellen wettelijk of bestuursrechtelijk de voorwaarden, de beperkingen en de nadere regels voor die afwijkingen vast.

Artikel 9 - Nachtarbeid

1. a) De Lid-Staten die van de mogelijkheid van artikel 4, lid 2, onder b) of c), gebruik maken, verbieden kinderarbeid tussen 20.00 uur en 6.00 uur.

b) De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om arbeid van adolescenten tussen 22.00 uur en 6.00 uur of tussen 23.00 uur en 7.00 uur te verbieden.

2. a) De Lid-Staten kunnen wettelijk of bestuursrechtelijk voor bepaalde bedrijfssectoren toestaan dat adolescenten werken tijdens de periode waarin overeenkomstig lid 1, onder b), nachtarbeid verboden is.

In dit geval nemen de Lid-Staten passende maatregelen inzake het toezicht op de adolescent door een volwassene, in de gevallen waarin toezicht noodzakelijk is om de adolescent te beschermen.

b) Wanneer punt a) wordt toegepast, blijft arbeid tussen middernacht en 4.00 uur verboden.

De Lid-Staten kunnen evenwel wettelijk of bestuursrechtelijk bepalen dat arbeid van adolescenten gedurende de periode waarin het nachtarbeidsverbod geldt, in de onderstaande gevallen wordt toegestaan wanneer daarvoor objectieve redenen bestaan en de adolescenten als compensatie voldoende rusttijd krijgen en de doelstellingen van artikel 1 niet in gevaar worden gebracht:

- arbeid in scheepvaart en visserij;

- arbeid bij strijdkrachten en politie;

- arbeid in ziekenhuizen en soortgelijke instellingen;

- culturele, artistieke, sportieve of reclameactiviteiten.

3. Alvorens zij met nachtarbeid beginnen, en met regelmatige tussenpozen daarna, hebben adolescenten recht op een kosteloos medisch onderzoek en een kosteloze beoordeling van hun capaciteiten, behalve wanneer zij uitzonderlijke arbeid verrichten tijdens de periode waarin arbeid verboden is.

Artikel 10 - Rusttijd

1. a) De Lid-Staten die van de mogelijkheid van artikel 4, lid 2, onder b) of c), gebruik maken, zorgen ervoor dat kinderen per 24 uur een rusttijd van ten minste 14 aaneengesloten uren hebben.

b) De Lid-Staten zorgen ervoor dat adolescenten per 24 uur een rusttijd van ten minste 12 aaneengesloten uren hebben.

2. De Lid-Staten zorgen ervoor dat per zeven dagen

- kinderen voor wie zij gebruik hebben gemaakt van de in artikel 4, lid 2, onder b) en c), bedoelde mogelijkheid, en

- adolescenten

een rusttijd hebben van ten minste twee, zo mogelijk aaneengesloten dagen.

Om technische of organisatorische redenen mag de minimale rusttijd worden verminderd, maar hij mag in geen geval minder dan 36 aaneengesloten uren bedragen.

In de in de eerste en de tweede alinea bedoelde minimale rusttijd is in beginsel de zondag begrepen.

3. De Lid-Staten kunnen wettelijk of bestuursrechtelijk bepalen dat de in lid 1 en lid 2 bedoelde minimale rusttijden mogen worden onderbroken bij werkzaamheden die gekenmerkt worden door over de loop van de dag opgesplitste of korte arbeidstijden.

4. Om objectieve redenen kunnen de Lid-Staten wettelijk of bestuursrechtelijk in de volgende gevallen voor adolescenten ontheffingen verlenen van lid 1, onder b), en lid 2, mits de adolescenten als compensatie voldoende rusttijd krijgen en het doel van artikel 1 niet in gevaar wordt gebracht:

a) arbeid in de scheepvaart en de visserij;

b) arbeid bij de strijdkrachten en de politie;

c) arbeid in ziekenhuizen en soortgelijke instellingen;

d) arbeid in de landbouw;

e) arbeid in het toerisme of de horeca;

f) arbeid waarbij de arbeidstijd over de dag is opgesplitst.

Artikel 11 - Jaarlijkse rusttijd

De Lid-Staten die van de in artikel 4, lid 2, onder b) of c), bedoelde mogelijkheid gebruik maken, zorgen ervoor dat de schoolvakantie van kinderen die onder de door de nationale wetgeving opgelegde voltijdse leerplicht vallen, voor zover dat maar enigszins mogelijk is een volledig arbeidsvrije periode bevat.

Artikel 12 - Pauzes

De Lid-Staten zorgen ervoor dat jongeren een pauze van ten minste, zo mogelijk aaneengesloten, dertig minuten krijgen ingeval de dagelijkse arbeidstijd langer is dan vier en een half uur.

Artikel 13 - Arbeid van adolescenten in geval van overmacht

Voor werk onder de in artikel 5, lid 4, van Richtlijn 89/391/EEG bedoelde omstandigheden kunnen de Lid-Staten wettelijk of bestuursrechtelijk afwijkingen toestaan van artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 1, onder b), artikel 10, lid 1, onder b), en wat adolescenten betreft, van artikel 12, mits die arbeid van voorbijgaande aard is en niet kan worden uitgesteld, mits er geen volwassen werknemers beschikbaar zijn en de betrokken adolescenten binnen drie weken als compensatie een gelijkwaardige rusttijd krijgen.

AFDELING IV

Artikel 14 - Maatregelen

Elke Lid-Staat stelt alle nodige maatregelen vast die moeten worden toegepast bij overtreding van de ter uitvoering van deze richtlijn aangenomen bepalingen; die maatregelen moeten effectief en evenredig zijn.

Artikel 15 - Aanpassing van de bijlage

Louter technische aanpassingen van de bijlage in verband met de technische vooruitgang, de ontwikkeling van internationale voorschriften of specificaties of van kennis op het onder deze richtlijn vallende gebied, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 17 van Richtlijn 89/391/EEG.

Artikel 16 - Niet-verlagingsclausule

Onverminderd het recht van de Lid-Staten om, in het licht van de ontwikkeling van de situatie, andersluidende bepalingen aan te nemen op het gebied van de bescherming van jongeren en mits de hand wordt gehouden aan de minimumeisen van deze richtlijn, vormt de tenuitvoerlegging van deze richtlijn geen rechtvaardiging voor een verlaging van het algemene beschermingsniveau van jongeren.

Artikel 17 - Slotbepalingen

1. a) De Lid-Staten doen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 22 juni 1996 aan deze richtlijn te voldoen of zorgen er uiterlijk op deze datum voor dat de sociale partners via overeenkomsten de nodige maatregelen nemen waarbij de Lid-Staten alle maatregelen moeten treffen om te allen tijde te kunnen garanderen dat de in deze richtlijn voorgeschreven resultaten worden bereikt.

b) Gedurende een periode van vier jaar, te rekenen vanaf de onder a) genoemde datum, hoeft het Verenigd Koninkrijk artikel 8, lid 1, onder b), eerste alinea, met betrekking tot het bepaalde inzake de maximale wekelijkse arbeidstijd, alsmede artikel 8, lid 2, en artikel 9, lid 1, onder b), en lid 2, niet toe te passen.

De Commissie zal een verslag indienen over de gevolgen van deze bepaling.

De Raad besluit, onder de in het Verdrag genoemde voorwaarden, of bovengenoemde periode moet worden verlengd.

c) De Lid-Staten stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2. Wanneer de Lid-Staten de in lid 1 bedoelde bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

3. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst mee van de belangrijke bepalingen van intern recht die op het onder deze richtlijn vallende gebied reeds zijn vastgesteld of die zij op dat gebied vaststellen.

4. De Lid-Staten brengen de Commissie om de vijf jaar verslag uit over de praktische tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze richtlijn, onder vermelding van de standpunten van de sociale partners.

De Commissie stelt het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité hiervan in kennis.

5. Met inachtneming van de leden 1, 2, 3 en 4 legt de Commissie op gezette tijden aan het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité een verslag voor over de toepassing van deze richtlijn.

Artikel 18

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.